Sluizen
Sinds de 14e eeuw heeft Steenwijk en omgeving verschillende sluizen gekend. De oudste waren uitwateringssluizen of zijlen: de Vollenhoofse Zijl en de Steenwijker- of Grote Zijl in Blokzijl, de Barenzijle in Baarlo en de Spleterszijl onder Blankenham. Alleen de eerste is overgebleven na enkele malen te zijn verbouwd tot schutsluis. Sinds het in gebruik nemen van het gemaal Stroink (1919) en vooral na de afsluiting van de Zuiderzee (1932) hadden de uitwateringssluizen hier geen functie meer.
Om voor de scheepvaart op de Steenwijker Aa voldoende vaardiepte te bewerkstelligen, werden sinds de 14e eeuw verschillende schutsluisjes gebouwd. De oudste hadden een enkele kering waardoor slechts kortstondig kleine vaartuigen konden passeren. Ze werden ook wel aangeduid als keerschut, schut of verlaat. Bekend waren: het Woldschut (kort vóór 1395, onder de Woldbrug in Steenwijk); het verlaat aan de Thiman ten Broecke oever (ca. 1523), omstreeks 1632 afgebroken en vervangen door een nieuw (250 m stroomopwaarts) aan de Schurfkampen; het verlaat bij de Grote Spijkerboor (1619) vier km westzuidwestelijk van Steenwijk, en drie verlaten die in het begin van de 17e eeuw in de bovenloop werden gebouwd: het Westerverlaat, het Vledderverlaat en het Oosterverlaat. Het Woldschut werd in 1865 vervangen door een gemetselde schutsluis aan de Paardenmarkt.