Verlaat

Uit Lexicon Steenwijks verleden (2025)

(1) buurtschap 1,5 km WZW van het centrum van Steen­wijk, ontstaan bij en genoemd naar een houten schutsluis in de Aa die omstreeks 1523 werd gebouwd aan de Thiman ten Broecke oever. Deze werd, na gereedkomen van het Steenwijkerdiep in 1632 afgebroken; locatie (gebaseerd op stadsplattegrond Jacob van Deventer): 202.39 / 533.30. Om voldoende vaardiep­te in de Steenwijker Aa te verschaffen, werd 250 m stroomopwaarts aan de Schurfkampen een nieuwe schutsluis gebouwd; locatie: 202.674 / 533.262. Dit ‘schut’ had voor die tijd flinke afmetingen: een schutkolk­lengte van 17 m en een kolk­wijdte van 3.75 m. Er overheen was een hoge trapbrug gebouwd met een doorvaarthoogte van 3.30 m boven ‘ordinair zomerwater’ om hoog opgela­den bokken met hooi te kunnen doorlaten. De sluis was voorzien van een dubbel stel puntdeuren. Evenals bij het oude verlaat, ont­stond ook hier een buurt­schap. Samen telden ze ongeveer 15 woningen, verdeeld door de gemeentegrens van Steenwijk en Steenwijkerwold. Nog in het begin van de vorige eeuw waren hier vier sche­eps­werfjes gevestigd, waaronder de punterwerf van Jan Huisman en nazaten.[1][2][3][4]

(2) (ook: schut of keerschut): een kleine sluis zoals er in onze omgeving talloze geweest zijn. Oorspronkelijk had een verlaat een enkele kering, bestaande uit een houten schuif die door een windwerk geheven of gestreken kon worden, ook wel valschut of draaischut genaamd. Valschut en windwerk waren onderge­bracht in een zwaar houten geraamte; het geheel werd wel als ‘getim­merte’ aangeduid. Verlaten dienden om de waterstand te kunnen regelen in veenderijen. In de reeds ontgonnen gebieden moesten de waterstanden aanmerkelijk lager zijn dan in de aangrenzende, nog te vervenen, gebieden. Door een verlaat kon het overtollig water de veen­derij verlaten (vandaar de naam)­. Bovendien moesten kleine turfschuiten er door kunnen varen. Het schutten van een schip door een enkelvoudige kering mag onwaarschijnlijk lijken, maar was vroeger heel gebruikelijk. Door het volledig optrekken van het schut stroomde er een grote hoeveelheid water door het verlaat, waardoor dikwijls schade aan de oevers ontstond en hinder werd veroorzaakt aan andere schepen. Bij afvaart voer een schip, na de sterkste stroom te hebben afgewacht, gewoon met de stroom mee door het verlaat. Bij opvaart moest men het schip verhalen. Omdat elk schip meestal door slechts één persoon was bemand, moest men wachten tot er meer schepen waren. Ze werden dan aan elkaar vastgemaakt en vanaf de wal door het verlaat getrokken, het zogenoemde ’treilen’ of ’truilen’. Op deze wijze leverde het verhalen minder risico’s op. In alle gevallen was het passeren van een verlaat een heel avontuur. Als de finan­ciën het toe­lieten bouwde men soms een verlaat met dubbe­le kering, waar­door van een heuse schutsluis sprake was en genoem­de bezwaren konden worden voorkomen. De meest bekende verlaten waren die in de Steenwij­ker Aa: bij het Ruxveen, bij de Grote Spij­ker­boor, aan de Thiman ten Broecke oever, bij de Schurfkampen even ten westen van de stad (Ver­laat), het Wold­schut te Steenwijk en de verlaten noordooste­lijk van de stad, namelijk het Wester­verlaat, het Vledderverlaat en het Ooster­ver­laat.

(3) Steenwijk-West): de enige  weg (1856)  in de buurtschap Verlaat, aansluitend op de Verlaatseweg.

Bronnen en referenties

  1. [1] DTV p24-25
  2. [2] HM 2004 n2 p37-40
  3. [3] HM 2014 n1 p 16-32
  4. [4] OS 2022 n3 p24-25