Industrie.
Ongeveer één derde van de werkende bevolking is werkzaam in de industrie. In de 19e eeuw stond Steenwijk vooral bekend om bedrijfstakken als: leerlooierij, houtzagerij, sigaren- en tabaksindustrie, maalderij, lijm-, verf- en inktfabricage, touwslagerij en riet- en mattenvlechterij. In de vorige eeuw kwamen (en gingen) enkele bijzondere fabrieken: Monsieur’s meubelfabriek (1898-1962), Pasman’s Exportslachterijen en Fabrieken (1916-1938), de Eerste Steenwijker Kunst- Aardewerk Fabriek ESKAF (1919-1927) en de speelgoedfabriek ’t Poppenrijk (1953-1976), bekend van het Wildebras speelgoed. In 1949 waren ongeveer 250 mensen werkzaam in de voedings- en genotmiddelenindustrie, 200 in de houtbewerking, 150 in de metaalindustrie, 125 in de chemische industrie en 80 in de kledingindustrie. In de 2e helft van de vorige eeuw nam vooral de kunststofverwerkende industrie een grote vlucht. Met name bedrijven als Dyka BV, Kornelis Caps & Closures en Eleq BV (voorheen: Faget) hebben bijgedragen tot het begrip Steenwijk Kunststofstad. Van de verschillende industrieterreinen is De Dolder het oudste, en Groot Verlaat, ten westen van de stad, het grootste van Noordwest-Overijssel. Zie verder hoofdstukken 11 en 17 van het boek Steenwijk Vestingstad.