Verlaat
(1) buurtschap 1,5 km WZW van het centrum van Steenwijk, ontstaan bij en genoemd naar een houten schutsluis in de Aa die omstreeks 1523 werd gebouwd aan de Thiman ten Broecke oever. Deze werd, na gereedkomen van het Steenwijkerdiep in 1632 afgebroken; locatie (gebaseerd op stadsplattegrond Jacob van Deventer): 202.39 / 533.30. Om voldoende vaardiepte in de Steenwijker Aa te verschaffen, werd 250 m stroomopwaarts aan de Schurfkampen een nieuwe schutsluis gebouwd; locatie: 202.674 / 533.262. Dit ‘schut’ had voor die tijd flinke afmetingen: een schutkolklengte van 17 m en een kolkwijdte van 3.75 m. Er overheen was een hoge trapbrug gebouwd met een doorvaarthoogte van 3.30 m boven ‘ordinair zomerwater’ om hoog opgeladen bokken met hooi te kunnen doorlaten. De sluis was voorzien van een dubbel stel puntdeuren. Evenals bij het oude verlaat, ontstond ook hier een buurtschap. Samen telden ze ongeveer 15 woningen, verdeeld door de gemeentegrens van Steenwijk en Steenwijkerwold. Nog in het begin van de vorige eeuw waren hier vier scheepswerfjes gevestigd, waaronder de punterwerf van Jan Huisman en nazaten.[1][2][3][4]
(2) (ook: schut of keerschut): een kleine sluis zoals er in onze omgeving talloze geweest zijn. Oorspronkelijk had een verlaat een enkele kering, bestaande uit een houten schuif die door een windwerk geheven of gestreken kon worden, ook wel valschut of draaischut genaamd. Valschut en windwerk waren ondergebracht in een zwaar houten geraamte; het geheel werd wel als ‘getimmerte’ aangeduid. Verlaten dienden om de waterstand te kunnen regelen in veenderijen. In de reeds ontgonnen gebieden moesten de waterstanden aanmerkelijk lager zijn dan in de aangrenzende, nog te vervenen, gebieden. Door een verlaat kon het overtollig water de veenderij verlaten (vandaar de naam). Bovendien moesten kleine turfschuiten er door kunnen varen. Het schutten van een schip door een enkelvoudige kering mag onwaarschijnlijk lijken, maar was vroeger heel gebruikelijk. Door het volledig optrekken van het schut stroomde er een grote hoeveelheid water door het verlaat, waardoor dikwijls schade aan de oevers ontstond en hinder werd veroorzaakt aan andere schepen. Bij afvaart voer een schip, na de sterkste stroom te hebben afgewacht, gewoon met de stroom mee door het verlaat. Bij opvaart moest men het schip verhalen. Omdat elk schip meestal door slechts één persoon was bemand, moest men wachten tot er meer schepen waren. Ze werden dan aan elkaar vastgemaakt en vanaf de wal door het verlaat getrokken, het zogenoemde ’treilen’ of ’truilen’. Op deze wijze leverde het verhalen minder risico’s op. In alle gevallen was het passeren van een verlaat een heel avontuur. Als de financiën het toelieten bouwde men soms een verlaat met dubbele kering, waardoor van een heuse schutsluis sprake was en genoemde bezwaren konden worden voorkomen. De meest bekende verlaten waren die in de Steenwijker Aa: bij het Ruxveen, bij de Grote Spijkerboor, aan de Thiman ten Broecke oever, bij de Schurfkampen even ten westen van de stad (Verlaat), het Woldschut te Steenwijk en de verlaten noordoostelijk van de stad, namelijk het Westerverlaat, het Vledderverlaat en het Oosterverlaat.
(3) Steenwijk-West): de enige weg (1856) in de buurtschap Verlaat, aansluitend op de Verlaatseweg.